Monthly Archives: June 2006

Het donker

 

De sensatie van een scherpe pijnscheut in haar dijen veroorzaakte een schelle lichtflits voor haar ogen. Ze had verlangd naar het licht. Ze wist niet hoeveel dagen al. Dat was moeilijk te bepalen in het donker. Voorzichtig probeerde ze haar ene bil een klein stukje te verschuiven. Dat lag beter. Haar dijen deden geen pijn meer. Maar nu was het haar schouder die het gewicht moest dragen. De schouder, waar ze al veel te lang op gelegen had. En toen ze zich had verschoven kwam die geur weer vrij. De geur van verse en opgedroogde urine, van menstruatiebloed en diarree. Ze vroeg zich af of dit de geur van angst was, of de geur van de dood. Haar neus kriebelde tegen de satijnen voering van haar onderkomen. Maar er was niet genoeg ruimte om haar neus te bevrijden. Niet van de smerige lucht en niet van het kriebelende satijn. Ze hoopte dat ze kon niezen. Dan kon ze haar eigen snot proberen op te likken. Want slikken kon ze, vermoedelijk, al een paar dagen niet meer. Het zilte zout van haar tranen maakte haar misselijk, dus probeerde ze die te bedwingen. Maar het was onvermijdelijk. De tranen bleven komen, hoe uitgedroogd ze ook was. Ze dacht aan haar opa. En aan het konijntje dat ze vroeger in een veel te klein doosje begraven had. De schuldgevoelens waren een verademing. Maar die verademing duurde veel te kort. De doordringende geur van aarde bracht haar terug naar het heden, waar het zachte velletje van het konijntje haar geen troost kon bieden, zoals het vroeger had gedaan.

    Het was een eigenaardige man geweest, bedacht ze zich. Maar hij lhad ongevaarlijk geleken. Een sul, met een idioot brilletje, vreemde schoenen met spekzolen en een broek die al dertig jaar niet meer in de mode was. Ze had mensenkennis, altijd al gehad. Ze kon mensen goed taxeren, en ze had deze man ingeschat als een sombere, maar betrouwbare pennenlikker. Ze had hem meteen vertrouwd. Maar ze had het raar gevonden dat hij zo behulpzaam was geweest. Ze had weliswaar een ongemakkelijk gevoel bij hem gekregen, maar ze had dat weggestopt onder ‘schuldgevoel’. Niets wat een flesje wijn en een paar aardige woorden niet konden oplossen. Maar het bleef niet bij die twee ontmoetingen. Ze waren met elkaar aan de praat geraakt en ze was door hem geïntrigeerd geraakt. Hij was niet het type waar ze normaal gesproken interesse in had. Zijn wereld was te ver van het hare verwijderd. Een kneus zou ze hem hebben gevonden. Maar hij was boeiend, op een bepaalde verslavende manier. Hun onderlinge gesprekken gingen ver. Veel te ver soms.
 
    Er waren momenten geweest dat ze zich schaamde voor haar eigen openhartigheid, maar hij had haar altijd weer op haar gemak weten te stellen. Ze had zich vrij gevoeld bij hem, bevrijd van haar angsten en hij had altijd precies geweten hoe hij haar kon dwingen haar eigen grenzen te verleggen. De sfeer die tussen hen heerste was intiem, vertrouwd maar ook altijd grimmig geweest. Ze had altijd het gevoel gehad dat ze bij hem door het donker werd opgezogen. Een zuigende kracht die ergens onaangenaam voelde, maar haar ook opwond. Een zwarte draaikolk waar ze niet uitkwam, waar ze het benauwd van kreeg, maar waar ze ook nat van tussen haar benen werd. Als hij haar aanraakte had ze altijd diep van binnen walging voor hem gevoeld, maar haar lichaam had altijd ongekend heftig op hem gereageerd. Altijd als hij met zijn vinger over haar hand had gestreeld,  had ze telkens bijna het bewustzijn verloren. En hij had altijd precies geweten wat voor uitwerking hij op haar had. Op dat soort momenten keek hij haar altijd doordringend aan. En altijd had ze ademnood gekregen van die doordringende blik, het gevoel in een ontzagwekkende diepte te vallen en altijd die vertwijfeling of ze niet de hel zag in zijn ogen. Ze had in hem altijd iets duivels gezien, maar op de momenten dat ze zich daar bijna door af had laten schrikken, waren zijn gezicht en ogen zacht en troostend geweest. 

    Doffe bonkende geluiden haalden haar uit haar overpeinzing. Vanuit de verte kwamen er voetstappen steeds dichterbij. Ze hield haar adem in, totdat ze het idee had dat de voetstappen zich vlak boven haar bevonden. De knevel om haar mond liet haar net genoeg ruimte om langs haar mondhoeken te likken, maar haar geschreeuw en hulpkreetjes verstomden erdoor, voordat ze haar mond hadden kunnen verlaten. Met haar handen op haar rug gebonden kon ze weinig doen om de aandacht te trekken. Allebei haar ellebogen zaten klem in de kleine ruimte. Alleen haar linkervoet kon ze wat bewegen, maar haar dijen maakten het haar onmogelijk daar mee te schoppen. Met een felle ruk probeerde ze haar rechtervoet wat ruimte te geven. Hij schoot los, en ze kwam met haar teen hard tegen de deksel van de kist terecht. Haar hoofd begon te tollen van de pijn in haar lichaam, maar ze gaf het niet op. Ze moest nu handelen, voordat de voetstappen te ver verwijderd zouden zijn en zij daar onopgemerkt onder de grond bleef. Met alle kracht die ze in zich had probeerde ze te schoppen. Maar de satijnen voering van de kist dempte het geluid. Woede en frustratie maakten zich van haar meester. De wanhoop om nu gered te worden was sterker, waardoor ze haar lichaam vergat en zij met alle macht kon proberen genoeg herrie te maken om opgemerkt te worden. Het hielp niet. De voetstappen verstomden langzaam in de verte, terwijl zij langzaam steeds verder wegzakte en het bewustzijn verloor. 

Dit korte fragment schreef ik voor 100 Schrijvers, maar t*** die ik ben had ik de bedoeling niet goed begrepen en is het stuk niet geschikt. Omdat ik het natuurlijk niet voor de kat z’n … viool heb geschreven, plaats ik het hier)

De wesp en het meisje

Het was een prachtige lentedag. Zo’n dag dat alleen de vogeltjes het wagen zich in het volle zonlicht te begeven en zachtjes kwetteren van plezier. De rest van de wereld heeft zich teruggetrokken in de schaduw. Zo ook het meisje.

Verstopt onder twee parasols zat het meisje in haar tuintje. Niemand kon haar zien, dus dacht het meisje dat het geen kwaad kon haar broekje uit te trekken. Het meisje zat daar volkomen in haar sas druk aan haar huiswerk. De ventilator naast haar blies zachtjes tegen haar blote billen. ‘Dit moet op dit moment echt het beste plekje op aarde zijn,’ dacht het meisje.

Wat ze niet had gezien was dat er meerdere gegadigden waren voor dit perfecte plekje. Een klein beetje voorovergebogen probeerde het meisje haar computerscherm te lezen, terwijl de wesp zijn kans schoon zag het plekje van het meisje te veroveren. Toen het meisje haar kontje weer in de zetel duwde, maakte ze kennis met de wesp, die ze niet had zien aankomen, maar wel voelde vertrekken.

Met een grote bult op haar bil moest het meisje naar de dokter, die haar fronsend aankeek en haar ook nog eens liet uitleggen hoe dat nou toch had kunnen gebeuren. Met de troostende woorden dat ze nog geluk had gehad, stuurde de dokter het meisje weer naar huis, waar ze nu niet meer op haar billetjes durft te zitten.

Verstrooide professor

Nu het einde van het semester nadert en ik als student nog een paar grote projecten af te handelen heb, slaat de stress ineens toe en merk ik dat ik bijna niets anders doe dan nadenken. Ik denk de hele dag na. Over terrorisme met name, en over hoe ik in godsnaam moet verwoorden welke gedachten zich in mijn hoofd afspelen. Ik denk er zoveel over na, dat ik soms vergeet waar ik over aan het nadenken was. Iets concreets kan ik er niet uit pakken. De gedachten vallen als het ware over elkaar heen in mijn hoofd. Ze willen eruit, maar ik weet niet hoe ik ze op een aantrekkelijk leesbaar rijtje krijg.

En zo kan het gebeuren dat je merkt dat je af en toe eens verstrooid bent. Dat het mooi weer is buiten en dat je dat niet eens hebt gemerkt. Dat je honger hebt omdat je al de hele dag niets hebt gegeten, maar dat je je afvraagt waar dat zeurderige gevoel in je maag vandaan komt. Of dat je kip in de oven hebt gedaan en die de volgende avond pas terugvindt, op het moment dat je opnieuw kip in de oven wil gaan klaarmaken. Zo kan het ook gebeuren dat je op een bepaalde ochtend wakker schrikt van je wekker die je, omdat je je eigen verstrooidheid wel hebt opgemerkt, een week van tevoren al hebt gezet voor een bepaalde gebeurtenis en je je niet meer kan herinneren waarom je die wekker hebt gezet. Gelukkig was je zo slim om het in je agenda te zetten, anders was je er waarschijnlijk nooit achter gekomen.

En zo kan het zijn dat je je auto voor een herkeuring voor de APK gaat aanbieden, terwijl je eigenlijk eerst een afspraak had voor de reparatie bij een andere garage. Het komt allemaal goed, het kost wat benzine en wat tijd, meer ook niet. De hele wandeling naar huis, bijna twintig minuten spreek je jezelf hartig toe; dit moet echt stoppen, zometeen gebeuren er nog ongelukken. Eenmaal thuis verdiep je je dan weer in de problematiek rond terrorisme. En zo kan het gebeuren dat ’s middags je telefoon gaat, en jij geen zin hebt de telefoon aan te nemen omdat de nummerweergave een onbekend nummer aan geeft. De beller houdt aan en je neemt geïrriteerd op. Hoe durven ze je te storen in je denkproces? Het is de garage. De auto kan worden opgehaald. Dat was je even vergeten, van die auto.

Je draait drie rondjes om je eigen as, laat snel de hond uit, want die was je ook vergeten, en gaat snel op weg om je auto op te halen, hij moet immers nog naar de herkeuring. Op de parkeerplaats aangekomen is je auto weg. Je raakt over je toeren, je moet namelijk snel naar de andere garage voor de herkeuring. Andere parkeerplaats checken, geen auto. Dan bedenk je je dat je natuurlijk je autosleutels nodig hebt, alsof die auto daardoor ineens weer terecht komt. Je gaat terug naar binnen om je sleutels te halen. En die zijn er ook niet. Eerst denk je; ik heb een déjà-vu, maar dan realiseer je je dat ditzelfde tafereel zich twee weken geleden ook al heeft afgespeeld. Lopend ga je op weg naar de ene garage om je auto op te halen, en tijdens de 20 minuten lange wandeling vraag je je ongeveer 50 keer af waarom je in godsnaam bent gaan lopen. Als je bij de garage aankomt, herinner je je weer waarom. En dan begrijp je ook wat er met de term ‘verstrooide professor’ bedoeld wordt.

De Wallen

Een warme dinsdagmiddag. Een vluggertje Amsterdam. Snel een boek ophalen bij de bibliotheek. Broodje hete kip bij de beste afhaaltoko in Chinatown. Bladerend in het geleende boek over terrorisme afslaan de walletjes op om de toeristen te ontwijken. Opknallen tegen het meest smerige, bruine, rottende gebit dat je ooit gezien hebt. Op samenzweerderige toon wordt er in je oor gespuugd:

"Pijpe, neuke, trekke! Ik heb vijf uijro slet. Lekker pijpe, lekker pijpe." Allerlei gevatte opmerkingen spelen door je hoofd. Maar niets zeggen. Het is maar een smerige junk.

"Lekker pijpe sjeg ik. Voor vijf uijro lekker spuite!" En dan toch een gevatte opmerking moeten maken. "Voor vijf euro mag je even naar me kijken en spontaan in je broek spuiten!"

"Jij bent lekker geil sjeg! Neuke? Vijf uijro!" Weglopen kan niet, dat bruine gebit blijft met je meedraaien, welke kant je ook op probeert te lopen. Negeren gaat ook al niet meer, je hebt nou eenmaal zonodig een gevatte opmerking moeten plaatsen. Dan maar het uiterste redmiddel inzetten. Het blaaskaken.

"Voor vijf euro kan je een klap voor je smerige kop krijgen. En vooraf betalen graag!"
Het schrikeffect duurt niet lang, maar is genoeg om een gat in dat gebit te vinden en het op een lopen te zetten. "Vuile hoer!, " roept de vuile junk.

Eenmaal een paar meter verwijderd, is daar dan ineens weer die grote bek. "Niet dus, smerige junk!"

Het lelijke jonge eendje

 

Het was een mooie lenteochtend. De eerste mooie dag in het prille leventje van het lelijke jonge eendje. Al bij het vroege ochtendgloren was het eendje opgestaan. Nadat hij de slaap uit zijn oogjes gewreven had, zag hij dat de wereld om hem heen een stuk lichter was die ochtend. Enthousiast sprong het lelijke jonge eendje op zijn voetjes en waggelde naar zijn moeder. "Mama, mama, kom eens kijken, de zon schijnt, de zon schijnt!," kwaakte het eendje vrolijk. Maar de moeder van het eendje had nog geen zin om op te staan. "Ga maar weer lekker slapen kuikentje," zei ze vermoeid. "Er komen nog genoeg dagen om van het zonnetje te genieten."

Teleurgesteld draalde het eendje weer terug naar zijn warme kuiltje in het gras. Zijn kopje hing lusteloos tussen zijn voetjes, die hij onhandig onder zijn buikje door gevouwen had. Maar zijn oogjes konden de slaap niet toelaten. Ginds vloog een vroege vlinder, een bijtje was vroeg opgestaan om ontbijt te maken voor haar gezinnetje, en aan de overkant van het meer was de familie Zwaan bezig de jongste kinderen zwemles te geven. "Mam?," probeerde het eendje nog eens, nog steeds met zijn kopje op zijn voetjes. Er kwam geen antwoord. Het eendje tilde zijn kopje een klein stukje op om te kijken of zijn moeder hem wel gehoord had. "Mam?," piepte hij nog een keer zachtjes. Nog steeds geen antwoord. "Má-ám!," probeerde hij nu wat harder, maar zijn moeder sliep rustig door. Het jonge eendje deed zijn best zo zachtjes mogelijk op te staan. Als zijn moeder geen zin had om te gaan zwemmen, dan zou hij wel alleen gaan. Maar zijn pootjes lagen zo onhandig onder zijn buikje dat hij weer omviel.

Zijn moeder maakte wat murmelende geluiden in haar slaap, maar ze draaide haar kont nog wat dieper in het kuilgras en begon zachtjes te snurken. Op zijn kleine teentjes sloop het jonge eendje naar de waterkant. Het zonnetje weerspiegelde in het wateroppervlak en verwarmde de kleine donsveertjes op zijn kopje. Het jonge eendje had al vaker gezwommen, maar nog nooit in zijn eentje. Hij zwom altijd achter zijn moeder aan, en hij had al zo vaak moeten beloven dat hij niet alleen in het water zou gaan. Maar ach, hij wist toch hoe het moest? Voorzichtig doopte hij één teentje in het water, en trok die snel weer terug. ‘Brrr, dat is nog best koud,’ dacht het jonge eendje. Maar de kou van het water kietelde ook lekker onder zijn voetjes, en hij kon de drang niet weerstaan zijn hele voetje in het water onder te dompelen. ‘Oeh dat is koud,’ giechelde het jonge eendje, die zijn voetje een paar keer achter elkaar snel in en uit het water haalde. Hij bestudeerde aandachtig hoe de waterdruppeltjes op zijn teentjes glinsterden in het zonlicht. Eerst vielen er allemaal kleine druppeltjes, dan hield het even op, en dan volgden er een paar grote, trage druppels.

Door de laatste grote druppel zag hij de familie Zwaan aan de overkant van het meer. Mevrouw Zwaan had een vreemd, groot hoofd in de waterdruppel, en de voetjes van haar zoontje Swansee leken wel enorm! Met zijn kleine vleugeltje zwaaide het jonge eendje naar de familie Zwaan om hun aandacht te trekken. "Hoehoe," riep hij. "Mevrouw Zwaan! Wat heeft u grote oren!," riep hij. Maar ze zagen hem niet. Het jonge eendje ging op zijn teentjes staan en zwaaide nu met twee vleugeltjes, maar hij verloor zijn evenwicht en viel voorover in het water. Hij dook kopje onder, zijn voetjes staken even boven het water uit, en hij hing ondersteboven.

Het lukte hem niet zijn kopje weer boven water te krijgen. Toen werd hij plotseling met een ruk aan zijn voetjes uit het water getrokken. Het eendje was blij, zijn moeder was hem vast gaan zoeken. Maar terwijl hij daar boven het water heen en weer slingerde aan zijn voetjes, kon hij nog net een blik opvangen van zijn redder. Een grote poot kwam snel op hem af en gooide hem met grote vaart op de grond. Grote bruine ogen keken in de zijne. En daar kwam de poot weer, hij landde op zijn kleine ruggetje en drukte hem hard in de modder.

Het jonge eendje was bang. Dit beest kende hij nog niet, maar het beest leek groot en gevaarlijk. Het eendje kon geen kant op, en probeerde zachtjes om genade te piepen. "Mama, mama," jammerde hij, maar zijn moeder hoorde zijn hulpgeroep niet. De poot ging van hem af en het eendje zuchtte opgelucht. Maar daar kwam de poot weer, en hij kwam met een slinger een paar meter verderop terecht. Het enge beest kwam snel weer dichterbij, zakte uitdagend door haar voorpoten en zwengelde heftig met haar achterlijf. Een lange steel aan het uiteinde van het beest zwiepte gevaarlijk. Het eendje schrok zich een ongeluk toen het beest zijn bek opendeed en hem bijna doof schreeuwde. "WAF, WAF," galmde het in de oren van het jonge eendje. Hij begreep er niets van. Wat was dat voor taal? Maar het grote beest leek boos te worden. Eerst treiterde het beest het jonge eendje nog een beetje. Ze stak haar tong naar hem uit, likte een paar keer hard over zijn koppie, zette toen haar poot nog een paar keer op het kleine lijfje, en tilde hem toen weer op.

Het lelijke jonge eendje zag dat één van zijn vleugeltjes had losgelaten, het lag daar op de grond. En toen zag hij ook één van zijn voetjes vallen. Hij werd een beetje draaiierig. Hij had naar zijn moeder moeten luisteren en weer moeten gaan slapen, want hij was toch wel erg moe. Zijn oogjes vielen bijna dicht, maar door zijn spleetjes zag hij een nog veel groter monster aankomen. Dit monster had wel een hele vreemde zwemvlies. ‘Vijf tenen in plaats van drie,’ dacht het eendje slaperig. "Los, los, los, rothond!," hoorde hij het monster roepen. Maar ook dat verstond hij niet. Hij kwakte hard op de grond. Dat deed zeer aan zijn bips. Slaapdronken probeerde het eendje op te staan om hard weg te kunnen rennen, maar hij had nog maar één voetje en die wilde niet op de grond blijven staan. Het eendje was te moe, hij moest slapen. Met een gesmoord kreetje liet hij zich weer vallen in het gras en probeerde de slaap te vatten. Maar zijn bips deed zeer, en zijn kopje ook. Zachtjes werd hij uit de modder geraapt. Er viel iets nats op zijn snaveltje. Het smaakte zout die druppel.

Hij voelde een zachte aai over zijn pijnlijke kopje. Toen hij zijn oogjes een klein stukje open deed, zag hij waar zijn moeder hem voor gewaarschuwd had. Een grote boze heks. Eén hand sloot zich om zijn kopje, de andere om zijn nek. En toen werd het even donker. Maar toen het eendje zijn oogjes weer open deed, lag hij in een groot meer, omringd met de mooiste bloemen. Met twee voetjes en twee vleugeltjes spartelde hij vrolijk rond in het water. En daar in de verte, daar zag hij zijn vader en zijn broertje en zusjes. Zijn moeder had hem verteld dat ze naar de hemel waren gegaan, maar ze waren dus gewoon gaan zwemmen! Het jonge eendje was gelukkig. Hij had zijn gezinnetje teruggevonden, alleen zijn moeder kon hij nergens vinden.

Gin is antropoloog en schrijfster van de boeken De Wil Om Te Doden, Moordjongens en Ana.


Onderwerpen

Mijn archief

Oudere archieven

Nieuwe blogs per email