"Kanker Marokkaan! Hou die tering hond van je bij je!" schalde het vanmorgen hard over het kleine veldje waar ik als slaperige zombie mijn hond liet plassen. Ik stond letterlijk te tollen op mijn benen, ik had pas een paar uurtjes geslapen, maar de hond moest nodig en dus liepen we daar in alle vroegte. Honden mogen daar loslopen, voordat u daarop blijft haken en de rest van het verhaal niet meepakt. En dus liep mijn hond los naar een geschikt plekje voor haar plasje te zoeken. Ze was blijkbaar niet de enige die het niet kon ophouden totdat de wekker zou gaan want er liepen meer mensen. En honden. Allemaal loslopend. De mensen ook. Ik had dus niet direct door dat met de scheldschreeuw ‘Kanker Marokkaan’ op mij werd gedoeld. Mijn hond was een meter of twintig bij mij vandaan aan het spelen op het veldje met, ironisch genoeg, een klein wit hondje. Het baasje van het witte hondje stond een heel eind verderop en bleek de trotse eigenaar te zijn van deze prachtige vocabulaire.
Misschien kwam het omdat ik nog zo slaperig was, maar ergens weigerden mijn oren de informatie te vertalen naar mijn hersens. Mijn ogen speurden de omgeving af naar een ‘Kanker Marokkaan’ en een hond die overlast veroorzaakte, maar overal waar ik keek werd er naar míj gestaard. Het baasje van de teckel had een meewarige blik in haar ogen, een meneer met een bouvier gaf me een troostende knipoog, de oudere dame met haar Dalmatiër keek snel van me weg en de uit de kluiten gewassen bodybuilder met zijn eveneens uit de kluiten gewassen Mastino keken me allebei minachtend en dreigend aan. Geen van allen hadden ze een Meditteraan uiterlijk. Veel tijd om na te denken kreeg ik niet. Aan de overkant van het veldje stevende de Marokkanenhater, van middelbare leeftijd met blond-grijzend haar en een prachtige krulsnor, met grote en kordate passen op mijn hond af. Ik was accuut klaarwakker. Ik rende het gras op, verloor mijn te grote slipper, stapte in de zachte hondenkak en kwam gelukkig eerder bij de spelende honden aan dan bromsnor. Toch probeerde hij nog of hij de hond kon raken door met al zijn tenen gestrekt naar het beestje uit te halen. "Ik zei dat je je hond bij je moest houden, kankerteef! Rot op, terug naar Marokko en neem die tyfus hond van je mee, smerige kut Marokkaan!" riep hij tegen me, terwijl we nu nog maar twee meter van elkaar verwijderd waren.
Natuurlijk weet ik dat het geen zin heeft om te reageren, dat het beter is de eer aan jezelf te houden, je gewoon om te draaien en hem zichzelf belachelijk te laten maken, maar dat kon ik niet. Ik zette nog een stap in zijn richting, probeerde me zo groot en dreigend mogelijk te maken, balde mijn vuisten en zei op een uiterst giftige en agressieve toon: "Wat moet je nou Stink Belg? Raak mijn hond met één teen aan en ik breek al je botten!" Bromsnor hapte naar adem, werd roodpaars en ontplofte bijna toen hij mij, met consumptie dat recht in mijn gezicht belandde, duidelijk probeerde te maken dat hij geen Belg was. "En ik ben geen Marokkaan," zei ik koeltjes. Ik draaide me om, gaf zijn hondje nog een aaitje, lijnde mijn eigen tyfus hond aan en liet bromsnor daar verbouwereerd achter. En toen ik een paar meter verdergelopen was zodat mijn hond buiten de vuurlinie was, draaide ik me nogmaals om en riep naar de man: "Ik heb overigens niets tegen Belgen!" "Loop nou maar naar huis kut Turk, voordat er echt ongelukken gebeuren!" antwoordde de man. Ik bond mijn hond aan een boom waar ik vlakbij stond, liep terug naar Bromsnor en ging uitdagend voor hem staan. "Kom maar op met je ongeluk dan, miezerige racist," zei ik op kalme toon. Ik maakte indruk. De Bromsnor deinsde achteruit, mompelde iets in de trant van dat hij geen problemen wilde en liep snel de andere kant op. "Racisten, dat zijn pas smerige mensen," riep ik hem na. "En als je dan toch iemand wil uitschelden om zijn afkomst, zorg er dan voor dat je het goede land kiest!"
Het was een prachtige avond om op het terras te zitten gisteren. Heerlijk koel na al die dagen met klotsende zweetoksels rondgelopen te hebben, en heerlijk weer om een ‘witbier-avondje’ te houden. Op een terras met heerlijke loungebanken zat ik met twee jongens te praten over hun liefdeslevens. Ik ken ze al een hele tijd die jongens, dus het was misschien niet zo gek dat het gesprek al snel oversloeg naar seksualiteit en liefde. En hoewel ik het niet zo kies vind, als mannen tegen een andere vrouw gaan zitten klagen over het gebrek aan libido bij hun eigen vriendin, werd het een intrigerende discussie waar uiteindelijk het tafeltje naast ons geanimeerd aan meedeed.
Eén van de jongens heeft al negen jaar een relatie. Een hele goede relatie vindt hij zelf. Hij kan vol overgave over zijn vriendin vertellen en het is duidelijk dat hij echt gek op haar is, maar toch komt hij bij haar niet aan zijn trekken en gaat hij af en toe vreemd. Hij vindt dat zelf een goede oplossing. Als hij gaat stappen met zijn vrienden versiert hij eens in de zoveel tijd een ‘makkelijk meisje’, neukt haar ergens op straat of in een toilet en speelt de rest van de tijd de liefhebbende partner van een meisje die hier geen idee van heeft. Zij vertrouwt hem blind. Hij vindt dat dat geheel terecht is. Hij gaat namelijk niet vreemd, hij zorgt dat hij aan zijn lichamelijke trekken komt. En ‘makkelijke meisjes’ dat zijn geen ‘echte vrouwen’. Hoe lelijker het meisje, hoe geiler, zo stelt hij. Het moet namelijk wel een beetje iets smerigs hebben. Mooie seks met een mooie vrouw kan hij thuis ook hebben. Volgens hem redt hij juist zijn relatie door af en toe een perverse uitlglijer te maken, zonder dat zou hij met zijn vriendin doodongelukkig zijn. Toch zou hij niet willen dat zij hetzelfde deed. Hij zou haar zelfs accuut verlaten, want dat pikt hij niet. Als ze seks wil, dan kan ze bij hem wel wat meer initiatief tonen, want uiteindelijk is zij een preutse tut, die niet aan al zijn wensen tegemoet kan komen.
De andere jongen heeft momenteel geen vaste relatie. Hij klooit wat aan met een meisje, maar hij weet nog niet zeker of hij verliefd op haar is. Hij heeft een vaste relatie gehad en dat is hem niet zo goed bevallen. Dus hij neemt even zijn tijd om de kat uit de boom te kijken. Intussen gaat hij regelmatig naar de hoeren, iets wat hij ook al deed toen hij die vaste relatie had. Hij veroordeelt de ranzige stapavond wipjes op straat van de eerste jongen, in zijn ogen is dat echt vreemdgaan, terwijl naar de hoeren gaan in een hele andere categorie zou vallen volgens hem. Een hoer hoef je niet te versieren, ze doet wat jij haar opdraagt, je bent niet met háár genot bezig, maar alleen gericht op het lozen van je sperma en daarom zou het geoorloofd zijn. In principe is een hoer een machine die je gebruikt om in een bepaalde behoefte te voorzien. Je zou het zo kunnen vertalen; Met een vreemde vrouw een kroketje uit de muur eten is heel iets anders dan een romantisch diner voor twee in een sfeervol etablissement.
Het groepje jongens aan de tafel naast ons zag geen verschil tussen de beide vormen van buiten de deur eten. Een ‘makkelijk meisje’ in de kroeg was in hun ogen exact hetzelfde als een straat of raamprostituee, waarbij het eerste soort vrouw duidelijk de voorkeur kreeg vanwege het lagere prijskaartje. Sommige vrouwen zijn spermagleuven, en sommige vrouwen zijn huwelijksmateriaal. Maar in de bravourestemming die er heerste waren alle jongens het erover eens dat mannen beide soorten vrouwen nodig hebben.
Als meisje vind ik deze meningen bizar. Natuurlijk heb ik liever helemaal geen man die vreemdgaat, maar als het dan toch moet, dan maar met een meisje die de moeite waard is. Een mooi meisje. Schoon van onderen en niet uitgewoond door jezus-weet-wie-allemaal en lichamelijk mooier dan ik. Naar de hoeren of met ‘makkelijke meisjes’ gaan met het idee dat het maar vooral ranzig en smerig moet zijn, daar zou ik niet mee kunnen leven. En als het meisje puur als spermadepot zou moeten dienen, koop dan liever een kunstkut, dan kan ik er misschien nog van meegenieten. Maar naar de hoeren? Nee, dat zou ik nooit accepteren. Het idee alleen dat je een geldbedrag neertelt om je geslacht ergens in te mogen hangen, om vijf minuten heen en weer te schuiven en je zaakje te lozen… Wrijf een paar keer over je matras heen en je hebt hetzelfde effect. Ik zal het wel allemaal niet begrijpen, maar naar de hoeren gaan vind ik wel zo desparaat dat ik het bijna zielig vind. Als je nou zonder vrouw zit en je wil echt vlees voelen zonder vrouwen te willen misbruiken, dan vind ik naar de hoeren gaan een fantastische optie. Maar als bliksemafleider om aan je trekken te komen binnen een relatie vind ik het de meest weerzinwekkende vorm van vreemdgaan.
Ik had nooit verwacht dit ooit van mezelf te zullen zeggen, maar ik ben een ouderwets meisje. Van een heleboel traditionele rolpatronen kan ik gruwelen, dat wel, maar als het op versieren aan komt, dan hou ik toch van de ouderwetse methode. De man jaagt, de vrouw laat zich het hof maken. Kijk, ik hou niet van ingewikkelde spelletjes. Als ik iemand leuk vind, speel ik echt niet ‘hard to get’. Ik heb geen telefoonvrees, dus bellen zal ik ook wel uit mezelf doen, op de momenten dat ik daar zin in heb. Ik ga niet uit zitten rekenen hoeveel dagen er precies moeten verstrijken om er een belletje of sms’je aan te wagen. Als ik verliefd op iemand ben kan ik dat plompverloren toegeven. En als ik dat nú wil zeggen, dan doe ik dat ook. Maar je zal mij nooit achter een man zien aanlopen. Ik hou er gewoon niet van.
Het is niet zo dat ik te beroerd ben een drankje voor een man te betalen in de kroeg, en ik doe dat ook weleens, maar je kan er bijna staat op maken dat ik mijn interesse verlies als je als man dat drankje nog aanneemt ook. Ik wil een mannelijke man, die me het hoofd op hol weet te brengen. Die deuren voor me open houdt, die me op handen draagt en één die er zichtbaar van geniet mij het hof te maken. Een man die mij spontaan kan bellen, en ook niet met rare ‘afwachtspelletjes’ bezig is, cadeautjes voor me meeneemt en gul is, heeft eerder mijn belangstelling dan een man die een afstandelijke houding aanneemt en me dagen laat wachten op een teken van leven. Ik hou ook niet van gladde praatjes. En ik ben heel slecht in ‘hints’.
Als je me leuk vindt kan je dat gewoon tegen me zeggen, het liefst met een twinkeling in je ogen. Ik smelt wel. En als je me dan eenmaal het hof gemaakt hebt, dan doet mijn portemonnee ook weer mee. Als ik je zie zitten geef ik mijn laatste dubbeltje uit aan een leuk cadeautje, spaar ik voor weekendjes weg, en al die dingen meer. Ik zou er zelfs geen bezwaar tegen hebben de enige kostwinner te zijn, ooit, in de toekomst. Maar tot die tijd, word ík graag het hof gemaakt. Noem het ongeëmancipeerd, maar ik geloof dat mannen gemaakt zijn om te jagen, en vrouwen juist niet.
Een zwoele, benauwde woensdagavond, net na de regen. Een jongen en een meisje hebben een intiem onderonsje onder de beschutting van een boom. Hij half leunend op de fiets, ontbloot bovenlichaam, mooi gespierd, mooie kop. Zij te voet, een heel bloot topje, mooi lijf, lief gezichtje. Allebei ongeveer een jaar of zestien oud, met een zwaar Amsterdams accent.
Zij enigszins verlegen, draaiend op haar heupen:
‘En hoe gaat het nu met dinges … dat ene meisje … die blonde?’
Hij, blaast zijn borst op, draait zijn hoofd dichter naar haar toe:
‘Die ene blonde del bedoel je?’
Zij kijkt op, aangenaam verrast, zo lijkt het:
‘Del? Je had toch wat met haar?’
Hij neemt een nonchalante houding aan en zorgt dat zijn ontblote bovenlichaam dichter bij haar blote topje in de buurt komt: ‘Mja, ik had twee weken verkering met haar, maar wat een zeikwijf is dat zeg, wát een zeikwijf.’
Er volgen meer hele nare woorden over het blonde zeikwijf. Het meisje grinnikt wat, giechelt nog een beetje en kijkt de jongen sluiks in de ogen.
De jongen vraagt haar:
‘Maar heb je zin om van het weekeinde een filmpie te pakken samen?’
Hij gaat intussen nog dichter bij haar staan, ze staan nog op twintig, dertig centimeter van elkaar af. Zij heft haar hoofd op, hun lippen zouden elkaar bijna kunnen raken. Ze lacht hem lief in de ogen, ze lijkt toe te happen, gevleid dat hij haar leuker vindt blijkbaar. En dan volgt de valse blik, de grote stap achteruit en goddank de opmerking:
‘Mij niet gezien, dan sta je hier volgende week achter míjn rug te roddelen. Je bent zo’n macho macho man, zo één die denkt dat ‘ie alles op twee benen ken wippen. Mij niet gezien, en ik zal Naomi, die blonde del weet je wel, laten weten wat voor achterbakse hufter jij bent!’
Gelooft u in de ware liefde? Ik niet. Ik vertel er direct bij dat ik net een ‘langdurige’ relatie achter de rug heb. Dan kunt u mij misschien wegstoppen onder het kopje gedesillusioneerde cynicus. Bent u er nog? Mooi. Dan twijfelt u waarschijnlijk.
Als we het volstrekt nuchter bekijken is ‘de ware’ liefde bij voorbaat al onzin. Stel u woont in Persingen, een dorp met 98 inwoners, en u zet verder nooit een stap in de wijde wereld, dan moet u uw ware liefde dus vinden tussen het aantal beschikbare, vruchtbare mannen of vrouwen van die 98 inwoners. Het moet welhaast op een wonder berusten dat het u lukt ‘de ware’ daar tegen te komen. Er zijn natuurlijk mensen die niet geloven in toeval en beweren dat je met vooropgezette plannen van één of andere entiteit dan toch dicht bij elkaar geboren wordt. Maar daar moet je wel heel desparaat voor zijn, om dat te geloven. Op een wereldbevolking van bijna 7 miljard mensen is het dan ook heel erg bijzonder dat u uw ware liefde in uw stamkroeg ontmoet, of in de buurtsuper, of op uw werk. Op vakantie dan? Ach er zijn duizenden bestemmingen die u had kunnen kiezen, de ander ook. Of wilt u het dan toch op voorbestemming gooien?
De ware is dan ook eerder een metafoor voor een streven of een verlangen een bepaalde vorm van liefde te vinden die alles overstijgt. Helaas is het ook maar al te vaak een excuus, want na de zoveelste verbroken relatie verzuchten we makkelijk dat hij of zij de ware niet geweest zal zijn. Alweer niet. Ergens op deze aarde loopt iemand die u wel volledig zal begrijpen, die u neemt zoals u bent, die onvoorwaardelijk van u houdt en die u iedere dag weer in vuur en vlam kan zetten. Kunstenaars, musici, schrijvers, filosofen en zelfs wetenschappers houden zich al eeuwen bezig met dit utopische fenomeen. Want een utopie, dat blijft het (vrijwel) altijd. Vrijwel tussen haakjes uiteraard, want er zullen altijd mensen zijn die beweren dat ze het gevonden hebben.
Ik zie het geloof in de ware liefde meer als onvermogen om met de dagelijkse werkelijkheid om te gaan. De dagelijkse werkelijkheid is namelijk dat u moet werken voor de kost, never genoeg geld en tijd zult hebben alle potentiële partners ter wereld tegen elkaar af te wegen, en dat partners nu eenmaal een eigen persoonlijkheid hebben. Persoonlijkheden worden gevormd door omstandigheden, tussen uw relatie staat het leven, het is maar net hoe u er mee om gaat. En hoe u met elkaar kunt meegroeien. Partners die helemaal in elkaar opgaan, slokken elkaar vaak helemaal op. Grote kans dat één van de twee, of allebei, zoveel moet geven dat zijn eigen persoonlijkheid verloren gaat. Na een aantal jaar komt zijn of haar ware aard boven. En dat wordt negatief geïnterpreteerd. Het is fantastisch als u allebei op hetzelfde moment, op dezelfde manier romantisch bent. Maar hoe vaak komt het voor dat u tegelijkertijd moet poepen? Ook vrijwel nooit. Zo werkt dat ook met romantiek. En zo werkt dat ook met de liefde. Beide partners geven hun eigen inbreng aan een relatie, die past bij de omstandigheden van ieders leven.
Als de tandjes door komen bijvoorbeeld, vliegt de romantiek de deur uit. Zij wordt een zeurderige dikkerd, hij geeft nooit genoeg aandacht aan de kinderen. Mocht hij bij aanvang van de relatie nog naar andere vrouwen kijken, na het tweede kind niet meer. Zij wordt daar onzeker van. Heeft hij soms niet genoeg aan haar? Zij is constant op dieet, hij eet teveel en is bovendien niet aardig genoeg tegen haar moeder. Met argusogen wordt naar het alcoholgebruik van de partner gekeken, masturberen is hoogverraad en pornofilms zijn voor gefrustreerde mannetjes. Het bloemetje dat eerst zo werd gewaardeerd is nu een vereiste geworden. U hoort het haar zeggen tegen haar moeder: "En hij heeft ook al jaren geen bloemetje meer voor me meegenomen." Vond zij het vroeger leuk als hij hele gedichten uit zijn kont kon opzeggen, na de zoveelste scheet in het openbaar kan ze geen enkel lichaamsgeluid meer verdragen.
Die ontnuchtering ook, als onze droompartner blijkt een schetend en boerend monster te zijn. De afknapper. Alle inkomsten worden uitgegeven aan het droomkasteel, met bijbehorende droomauto, waardoor er geen geld overblijft voor de kapper of een lippenstiftje. Was zij ooit zijn lustobject, op een gegeven moment vindt hij het haar taak zijn pisspetters van de WC tegels af te schrobben. Seks gebeurt steeds vaker in bed, als het licht allang uit is, en beiden te moe zijn om nog actief te bewegen. En ach jee, zij blijkt hem ook nog eens veel beter te kennen dan hij zichzelf kent. Zij bepaalt wat hij nodig heeft. En hij is te lui geworden om zich daar tegen te verzetten.
Samengevat: Het leven is niet romantisch. Partners zijn mensen. En mensen zijn niet romantisch, niet 24 uur per dag. Partners veranderen ook. En partners moeten die ruimte krijgen. Als men uiteindelijk niet meer bij elkaar past, dan is het tijd om los te laten. Kunnen we dan niet accepteren dat deze partner ooit onze Grote Liefde was, maar dat het nu tijd is voor een nieuwe Grote Liefde, of even een kleine liefde tussendoor? Dat de Grote Liefde gewoon scheten laat, uitzet na het kinderen krijgen, moe uit zijn werk thuiskomt en kan veranderen? En dat romantiek niet altijd mogelijk is, dat iemand die zegt u volledig te begrijpen liegt dat hij barst? Is het niet veel romantischer te geloven dat er meerdere Grote Liefdes zijn, waar u verschillende dingen uit haalt, die passen bij bepaalde levensfasen, en die gewoon zichzelf mogen zijn, en dat dat het is wat een partner uiteindelijk interessant maakt? Het idee dat u bij elkaar MAG zijn de rest van uw levens, maar dat het niet HOEFT?
U zei: