Ik heb een hekel aan mensen. Dat is best apart voor een sociaal wetenschapper (in spé). Of misschien juist niet. Hoe dan ook, ik heb een hekel aan mensen. Daar ben ik vandaag achter gekomen. Zo heb ik een hekel aan mensen die me zonodig om een uur of zes ‘s ochtends wakker moeten maken omdat ze met hun onberispelijke arbeidsethos persé de deur uit moeten om op tijd te komen. Ik heb een hekel aan de mensen die de Samsung Ladyphone hebben ontworpen; speciaal voor alle vrouwelijke behoeften en daarbij gemakshalve de behoeften van meisjes zoals ik vergeten zijn. Een behoorlijke snooze-functie bij het wekkertje zou erg handig zijn namelijk. Niet één die iedere vijf minuten af gaat. Eén die gewoon twee uur later nog een keer helpt herinneren dat je op moet staan. Meisjes zoals ik willen tussen zes en acht namelijk gewoon nog een REM-slaapje genieten.
Ik heb ook een hekel aan dieven. Het is namelijk hun schuld dat ik mijn voordeur af moet sluiten als ik wegga. En het is niet altijd even makkelijk je sleutels terug te vinden. Ik heb een hekel aan buschauffeurs en automobilisten die met alle geweld bussen en auto’s op elkaar moeten laten botsen, zodat ik een half uur op de bushalte kan staan verkleumen omdat geen enkele bus meer kan rijden. En ik dus wéér te laat kom op mijn afspraak, terwijl ik nu echt maar twee minuten te laat was voor de bus. Ik heb een hekel aan alle andere mensen die eigenwijs op de bushalte blijven wachten terwijl er geen bus rijdt, en zich vervolgens met zijn tiggen tegelijk in de eerstvolgende bus proberen te proppen. Ik heb een hekel aan conducteurs die precies op het moment dat ik zit te stuntelen met mijn kop koffie, boek, MP3-speler en batterijen mijn plaatsbewijs willen controleren. Ik heb een hekel aan automobilisten die op een voorrangsweg waar je 70 km per uur mag niet even kunnen remmen voor plots overstekende, slaperige meisjes zoals ik. En ik heb een hekel aan bromfietsers die precies dán gebruik moeten maken van het fietspad, want dat is in dit soort gevallen meestal écht de laatste vluchtroute. Bovendien zouden meisjes zoals ik dan niet net het kontje van de trein die maar één keer in het half uur rijdt, achter een brommerhelm hoeven te zien verdwijnen.
Ik heb een nog grotere hekel aan mensen die menen zich te moeten verplaatsen met de trein. Mensen die breeduit naast je denken te kunnen gaan zitten. Mensen die met een onhebbelijke, razendsnelle beweging net de Metro voor je neus vandaan kapen. Oudere mensen die een kwartier voor mijn uitstaphalte al op moeten staan en het gangpad blokkeren. Gezinnetjes die eerst alle hoofdjes geteld willen hebben alvorens ze de ruimte achter de treindeuren vrij maken voor andere uitstappers. Kleine, breekbare vrouwtjes die tien keer om hun eigen as draaien, dan pas besluiten dat ze naar links willen en op het moment dat jij dan de rechterkant kiest, toch ook maar naar rechts moeten uitwijken. Oudere heren met te grote kolberts die iedere traptrede met twee voeten moeten beroeren. Vrouwen die met buggy’s de trap af moeten en er daardoor voor zorgen dat meisjes zoals ik zich de longen uit hun lijf moeten rennen om de overstaptrein te halen. Conducteurs die net de deuren van de overstaptrein dicht moeten gooien op het moment dat de overstappers bovenaan de trap staan. En buschauffeurs die echt op de minuut precies moeten vertrekken. En daarbij vergeten dat overstaptrein nummer twee 16 minuten vertraging had, in plaats van vijftien. En het meest gekke van alles is waarschijnlijk dat ik normaal gesproken een hekel heb aan haastende en jachtende meisjes zoals ik.
Oh, en als er iemand is die goede contacten heeft met de Here; zou u even kunnen vragen of hij de deur van zijn vrieskist dicht wil doen? Ik verga van de kou hier beneden.
Ik ben er vast van overtuigd dat ik tot een uitstervend ras behoor, maar ik ben zo’n type die graag met de trein reist. Toegegeven, de laatste tijd komt het me soms mijn strot uit als de zoveelste vertraging rond Utrecht mijn blaas tergend treitert, maar toch, de trein blijft mijn favoriete vervoersmiddel. Zodra je in de trein stapt, bevindt je je direct in de levendigheid, je hebt geen last van files, je kan onderweg meestal gewoon plassen en beenruimte heb je vaak ook voldoende. Toen ik besloot een tripje naar Brussel te maken was de keuze voor het vervoersmiddel dus snel gemaakt. Waarom ik daar van af ben geweken begrijp ik nog steeds niet. Zeker niet omdat de auto die de trein moest vervangen op mijn tripje, op het station in de woonplaats van mijn reisgezel al boosaardig naar me leek te grijnzen. Ik denk zeker te weten dat ik niet gek ben als ik zeg dat ik dacht aan te voelen dat die auto er geen zin in had, in dat tripje. En ik geef eerlijk toe dat ik er zeer serieus over na heb gedacht mijn reisgezel ervan te overtuigen toch de NS te spekken in plaats van de Shell, maar het handige aan afspreken op het station is dat je daar ook getuige kunt zijn van de vertragingsberichten, ook al heb je er verder niets bij de treinen te zoeken. Tenminste. Je denkt dat dat handig is. Maar het kan natuurlijk altijd blijken dat het spreekwoord ‘wat niet weet, wat niet deert’ niet voor niets is uitgevonden. Het is me in elk geval later op de avond meerdere malen door mijn hoofd geschoten. Vertrekken midden in de spits leek me niet handig, maar dat bleek het probleem niet te zijn. Met weinig vertraging kwamen we rond een uur of negen aan in Brussel. Helaas via de verkeerde afslag. Waardoor we aan precies de verkeerde kant van Brussel terecht kwamen. En verdwaald raakten. Het blijft België natuurlijk. Geen touw vast te knopen aan de wegbewijzing. En als je dan na een uur tot de conclusie komt dat je nog steeds rondjes aan het rijden bent in hetzelfde stadsdeel, dan besluit je als meisje van 1.65 meter uit te stappen in één van de meest ongure achterbuurten van Brussel, om bij een café, waar een groepje crackjongeren naast geposteerd staat, de weg te gaan vragen. In het Frans.
Nu klinkt dat allemaal niet zo gek spectaculair. Maar wat als je kennis van de Franse taal als meisje van 1.65 meter, met paspoort, credit card, bankpasjes, fototoestel, mobiele telefoon in een te kleine tas gepropt, te wensen overlaat? En wat als dan de auto van je reisgezel -die er nota bene bijna de hele reis liefkozend tegen heeft zitten praten- er dan tijdens de korte tussenstop plotseling mee uitscheidt en het absoluut weigert verder te rijden? Dan bedenk je je dat je niet zo vaak had moeten wensen om eenmort subite in de voorgaande dagen. Al had ik het niet over de accu toen ik die wens uitsprak, geloof me. En op dat soort momenten kan het dan ook nog gebeuren dat er relletjes plaatsvinden in de stad, dat de aardige meneer aan wie je de weg vraagt je om de tien seconden op je hart drukt dat je gevaar loopt in dat deel van de stad -wat de bewoners ook wel Chicagoplachten te noemen- en dat de wegenwacht voor het eerst sinds haar bestaan onbereikbaar blijkt te zijn. En je ook nog geparkeerd staat op een bushalte. Waar uiteraard een wegsleepregeling van kracht is. Dan maak je gebruik van je vrouwelijke charme om je redder in nood voor je te winnen. Dan blijkt dat in nood je kennis van de Franse taal ineens heel wat beter is dan in het klaslokaal. En dan heb je natuurlijk schijtmazzel als de redder in nood zich inderdaad geroepen voelt je te helpen de auto naar een parkeerplek te duwen, je een veilige escorte uit Chicago te bieden en je bovendien veilig en wel tot (bijna) aan de deur van je hotel te begeleiden door de grote, boze stad. Dan realiseer je je dat voorgevoelens niet voor niets bestaan. Dat de NS helemaal zo slecht nog niet is. En dat je uitspraak van de Franse taal beslist nog wat oefening behoeft. En dat een slecht begin de toon van je tripje niet hoeft te zetten natuurlijk. Want verder is alles prima en naar mijn zin verlopen. Ik heb er aardig wat interessante contacten bij voor mijn onderzoek in Sierra Leone, ik had een prettige ontmoeting met een interessante journalist en ik heb heerlijk vanaf een terrasje Brussel beleefd. In het zonnetje. Niet met Mort Subite.
U zei: