
Het was een mooie lenteochtend. De eerste mooie dag in het prille leventje van het lelijke jonge eendje. Al bij het vroege ochtendgloren was het eendje opgestaan. Nadat hij de slaap uit zijn oogjes gewreven had, zag hij dat de wereld om hem heen een stuk lichter was die ochtend. Enthousiast sprong het lelijke jonge eendje op zijn voetjes en waggelde naar zijn moeder. "Mama, mama, kom eens kijken, de zon schijnt, de zon schijnt!," kwaakte het eendje vrolijk. Maar de moeder van het eendje had nog geen zin om op te staan. "Ga maar weer lekker slapen kuikentje," zei ze vermoeid. "Er komen nog genoeg dagen om van het zonnetje te genieten."
Teleurgesteld draalde het eendje weer terug naar zijn warme kuiltje in het gras. Zijn kopje hing lusteloos tussen zijn voetjes, die hij onhandig onder zijn buikje door gevouwen had. Maar zijn oogjes konden de slaap niet toelaten. Ginds vloog een vroege vlinder, een bijtje was vroeg opgestaan om ontbijt te maken voor haar gezinnetje, en aan de overkant van het meer was de familie Zwaan bezig de jongste kinderen zwemles te geven. "Mam?," probeerde het eendje nog eens, nog steeds met zijn kopje op zijn voetjes. Er kwam geen antwoord. Het eendje tilde zijn kopje een klein stukje op om te kijken of zijn moeder hem wel gehoord had. "Mam?," piepte hij nog een keer zachtjes. Nog steeds geen antwoord. "Má-ám!," probeerde hij nu wat harder, maar zijn moeder sliep rustig door. Het jonge eendje deed zijn best zo zachtjes mogelijk op te staan. Als zijn moeder geen zin had om te gaan zwemmen, dan zou hij wel alleen gaan. Maar zijn pootjes lagen zo onhandig onder zijn buikje dat hij weer omviel.
Zijn moeder maakte wat murmelende geluiden in haar slaap, maar ze draaide haar kont nog wat dieper in het kuilgras en begon zachtjes te snurken. Op zijn kleine teentjes sloop het jonge eendje naar de waterkant. Het zonnetje weerspiegelde in het wateroppervlak en verwarmde de kleine donsveertjes op zijn kopje. Het jonge eendje had al vaker gezwommen, maar nog nooit in zijn eentje. Hij zwom altijd achter zijn moeder aan, en hij had al zo vaak moeten beloven dat hij niet alleen in het water zou gaan. Maar ach, hij wist toch hoe het moest? Voorzichtig doopte hij één teentje in het water, en trok die snel weer terug. ‘Brrr, dat is nog best koud,’ dacht het jonge eendje. Maar de kou van het water kietelde ook lekker onder zijn voetjes, en hij kon de drang niet weerstaan zijn hele voetje in het water onder te dompelen. ‘Oeh dat is koud,’ giechelde het jonge eendje, die zijn voetje een paar keer achter elkaar snel in en uit het water haalde. Hij bestudeerde aandachtig hoe de waterdruppeltjes op zijn teentjes glinsterden in het zonlicht. Eerst vielen er allemaal kleine druppeltjes, dan hield het even op, en dan volgden er een paar grote, trage druppels.
Door de laatste grote druppel zag hij de familie Zwaan aan de overkant van het meer. Mevrouw Zwaan had een vreemd, groot hoofd in de waterdruppel, en de voetjes van haar zoontje Swansee leken wel enorm! Met zijn kleine vleugeltje zwaaide het jonge eendje naar de familie Zwaan om hun aandacht te trekken. "Hoehoe," riep hij. "Mevrouw Zwaan! Wat heeft u grote oren!," riep hij. Maar ze zagen hem niet. Het jonge eendje ging op zijn teentjes staan en zwaaide nu met twee vleugeltjes, maar hij verloor zijn evenwicht en viel voorover in het water. Hij dook kopje onder, zijn voetjes staken even boven het water uit, en hij hing ondersteboven.
Het lukte hem niet zijn kopje weer boven water te krijgen. Toen werd hij plotseling met een ruk aan zijn voetjes uit het water getrokken. Het eendje was blij, zijn moeder was hem vast gaan zoeken. Maar terwijl hij daar boven het water heen en weer slingerde aan zijn voetjes, kon hij nog net een blik opvangen van zijn redder. Een grote poot kwam snel op hem af en gooide hem met grote vaart op de grond. Grote bruine ogen keken in de zijne. En daar kwam de poot weer, hij landde op zijn kleine ruggetje en drukte hem hard in de modder.
Het jonge eendje was bang. Dit beest kende hij nog niet, maar het beest leek groot en gevaarlijk. Het eendje kon geen kant op, en probeerde zachtjes om genade te piepen. "Mama, mama," jammerde hij, maar zijn moeder hoorde zijn hulpgeroep niet. De poot ging van hem af en het eendje zuchtte opgelucht. Maar daar kwam de poot weer, en hij kwam met een slinger een paar meter verderop terecht. Het enge beest kwam snel weer dichterbij, zakte uitdagend door haar voorpoten en zwengelde heftig met haar achterlijf. Een lange steel aan het uiteinde van het beest zwiepte gevaarlijk. Het eendje schrok zich een ongeluk toen het beest zijn bek opendeed en hem bijna doof schreeuwde. "WAF, WAF," galmde het in de oren van het jonge eendje. Hij begreep er niets van. Wat was dat voor taal? Maar het grote beest leek boos te worden. Eerst treiterde het beest het jonge eendje nog een beetje. Ze stak haar tong naar hem uit, likte een paar keer hard over zijn koppie, zette toen haar poot nog een paar keer op het kleine lijfje, en tilde hem toen weer op.
Het lelijke jonge eendje zag dat één van zijn vleugeltjes had losgelaten, het lag daar op de grond. En toen zag hij ook één van zijn voetjes vallen. Hij werd een beetje draaiierig. Hij had naar zijn moeder moeten luisteren en weer moeten gaan slapen, want hij was toch wel erg moe. Zijn oogjes vielen bijna dicht, maar door zijn spleetjes zag hij een nog veel groter monster aankomen. Dit monster had wel een hele vreemde zwemvlies. ‘Vijf tenen in plaats van drie,’ dacht het eendje slaperig. "Los, los, los, rothond!," hoorde hij het monster roepen. Maar ook dat verstond hij niet. Hij kwakte hard op de grond. Dat deed zeer aan zijn bips. Slaapdronken probeerde het eendje op te staan om hard weg te kunnen rennen, maar hij had nog maar één voetje en die wilde niet op de grond blijven staan. Het eendje was te moe, hij moest slapen. Met een gesmoord kreetje liet hij zich weer vallen in het gras en probeerde de slaap te vatten. Maar zijn bips deed zeer, en zijn kopje ook. Zachtjes werd hij uit de modder geraapt. Er viel iets nats op zijn snaveltje. Het smaakte zout die druppel.
Hij voelde een zachte aai over zijn pijnlijke kopje. Toen hij zijn oogjes een klein stukje open deed, zag hij waar zijn moeder hem voor gewaarschuwd had. Een grote boze heks. Eén hand sloot zich om zijn kopje, de andere om zijn nek. En toen werd het even donker. Maar toen het eendje zijn oogjes weer open deed, lag hij in een groot meer, omringd met de mooiste bloemen. Met twee voetjes en twee vleugeltjes spartelde hij vrolijk rond in het water. En daar in de verte, daar zag hij zijn vader en zijn broertje en zusjes. Zijn moeder had hem verteld dat ze naar de hemel waren gegaan, maar ze waren dus gewoon gaan zwemmen! Het jonge eendje was gelukkig. Hij had zijn gezinnetje teruggevonden, alleen zijn moeder kon hij nergens vinden.

Mijn relatie is over. Al een maand. En nog wat dagen. Ik kan mijn draai nog niet helemaal vinden, maar met mij gaat het goed. Over het algemeen. Maar je hebt van die dagen dat je het liefst naar huis wil rennen, in de armen van je minnaar wil vallen en even wil horen dat er iemand is die van je houdt. Vandaag was zo’n dag.
Na mijn sollicitatie avontuur voelde ik me werkelijk leeggezogen, en opgeblazen, van het broodje Döner. Mijn voeten deden zeer van de hakjes waar ik veel te lang op had moeten lopen. Ik had dorst. En honger, ondanks het broodje Döner. Ik moest nodig plassen en ik was eigenlijk ook te moe voor woorden. Naar huis, zo snel mogelijk, was het enige waar ik nog aan kon denken. Meestal is de gedachte aan thuis op zulke momenten al genoeg om me weer lekkerder te voelen, maar vandaag was thuis ineens thuis niet meer. Geen warm lichaam om even tegen aan te leunen. Geen natte zoen, op die van de hond na. En niemand om naar mijn avonturen te luisteren.
De Metro had beloofd dat iedereen vandaag thuis zou blijven vanwege het slechte weer, maar de verslaggever van dat stukje had slechte voorspellende gaven. Het was afgelaaien druk op het station van aankomst. Ik moest nog steeds plassen, en als ik ergens niet tegen kan is het met een volle blaas in een menigte te staan. Vraag me niet waarom, het is gewoon zo. Ik heb me ergens achteraf opgesteld om toch in ieder geval wat lucht te kunnen laten ontsnappen. Ik voelde me klote.
Ik heb De Ex in al die tijd nog niet zo veel gemist als op dat moment. De tranen hadden me spontaan in mijn ogen kunnen schieten. Meeslepend liedje op mijn MP3 spelertje en hup, ik was een paar jaar terug in de tijd. Terwijl mijn verlangen naar De Ex met de seconde groeide, kreeg ik ook steeds meer oog voor mijn medereizigers. Ik vind mannen normaal gesproken niet zo interessant om naar te kijken. Ik val wel op mannen. Uitsluitend zelfs. Maar ik vind ze gewoon niet zo interessant om naar te kijken. Op dat moment vond ik opeens wel heel veel mannen interessant om naar te kijken. Geen zin meer om naar huis te gaan dus. En ik had nog steeds een volle blaas. Naar de kroeg dus, in ieder geval om die plas eruit te laten.
Een grand café, ik vermijd netjes de bruine kroeg. Maar lastig, op vrijdagmiddag net na happy hour in je eentje een café binnenstappen, maar ik hoefde niet lang alleen te zijn. Een mooie Arabische jongen met een lief gezicht was graag bereid me gezelschap te houden. Mijn hormonen gingen als een razende tekeer. Taferelen à la 1001-en-1-nacht speelden zich af voor mijn ogen. Het was misschien wel tijd voor een one night stand. Voor deze ene keer. Want ik ben normaal niet zo. Niet omdat ik daar te goed voor ben, gewoon omdat ik de eerste keer in de regel beroerd vind. Maar van slag door mijn voorbije relatie, slaapgebrek, een rotdag en het feit dat ik ook nog eens gestopt ben met de pil, maakten mij een vurig hormonen slachtoffer. Ik was er klaar voor.
"Wat wil je drinken?"
"Een biertje," antwoordde ik.
Helaas, bier is niet halal. En neuken voor het huwelijk ook niet.
U zei: