Heeft u op Google weleens het woord ‘bindingsangst’ ingetoetst? Nee? Dan bent u er waarschijnlijk nog nooit van beschuldigd eronder te lijden. Eronder te lijden inderdaad. Ik leg u zometeen uit waarom.
Ik word daar wel van beschuldigd. De afgelopen week al een keer of vier. Ik heb Google daarom zojuist om antwoord gevraagd. De ene na de andere link naar speciale trainingsbureau’s, zelfhulpgroepen, praatgroepen en zo meer schieten over het beeldscherm. Pagina na pagina na pagina.
Het is een probleem zo blijkt, want je kan eraan en eronder lijden. Eén bedrijf stelt zelfs genezing voor, alsof het een enge ziekte betreft. En tot overmaat van ramp wordt normaal gezonden mensen aangeraden personen met bindingsangst te mijden als de pest, alsof het om een besmettelijke variant gaat.
Diverse bronnen vermelden dat bindingsangst net zoiets is als alcoholisme; je moet eerst erkennen dat je ziek bent vooraleer je geholpen kunt worden. Want hulp is inderdaad noodzakelijk als je ooit op een ‘normale manier’ relaties aan wil gaan.
Maar wat heet ‘op een normale manier relaties aangaan’? Zijn ‘normale relaties’ wel zo normaal? Is er überhaupt iemand die ooit stil gestaan heeft bij die gedachte? Bij de gedachte dat langdurige, vaste, monogame relaties misschien juist abnormaal zijn? Want hoeveel diersoorten zijn er die absoluut monogaam zijn en hun levenlang trouw aan elkaar blijven, zonder dat ze daartoe gedwongen worden?
Ach ja, ik twijfel er niet aan dat de één of andere wijsneus nu met een zeer zeldzaam zeepaardensoortje op de proppen kan komen, maar dan bent u aan het mierenneuken. En mieren zijn overigens niet monogaam, ik zie dat hier voor mijn neus gebeuren.
U moet toch welhaast met mij eens zijn dat het ‘huwelijk’ (en alle andere manieren van samenzijn die soortgelijke trekken vertonen) een door mensen uitgevonden, zorgvuldig beredeneerde, sociale constructie is? Hoe de ideeën over ‘het huwelijk’ ooit precies ontstaan zijn weet ik niet, het kost me ook teveel moeite om dat uit te pluizen, maar het plaatje laat zich raden; ik gok op sekseconcurrentie, bezitsaccumulatie, het ontstaan van schaarste en anarchie. Redeneert u even mee, het is doodeenvoudig.
Toen de aarde nog maar dunbevolkt was, was er genoeg ruimte en voedsel voor haar bewoners. Men was gedwongen met elkaar samen te werken om een plaatsje tussen de andere diersoorten te verwerven. Voedsel en ruimte waren communaal bezit, gemeenschapsleden ook. Niemand had de ‘alleenzorg’ over nazaten en partners, dat was simpelweg niet nodig.
Om de gevaren van de aarde te trotseren ging de mens gereedschappen en wapens vervaardigen, die hen de overmacht over de andere dieren bezorgde. Men kon nu vlees eten en land verbouwen. De mens werd gezonder en ouder, waardoor er in snel tempo veel meer mensen op de aarde rondliepen. Het werd daarom tijd om land, bezit en personen af te bakenen. Vrouwen moesten worden beschermd, zij zorgden immers voor de voortplanting van de stam. Bij de Yanomamö in Zuid-Amerika kunt u dit proces nog goed waarnemen overigens. Als er vrouwenschaarste heerst zoeken de Yanomamö oorlog met naburige stammen om nieuwe vrouwen te zoeken.
In een situatie waarin men privé bezit ging accumuleren, was men steeds minder bereid voor andere leden van de gemeenschap te zorgen en anderen te onderhouden. En zo is men in steeds kleinere leefeenheden gaan wonen, waarbij vrouwen steeds meer tot de persoonlijke bezittingen gerekend werden.
Enfin, de rest van het verhaal zult u af kunnen maken, maar het mag overduidelijk zijn dat deze constructie niet draaide om gevoelens, maar juist om het intomen van gevoelens die fragiele samenlevinstverbanden zouden kunnen verstorten.
Vanaf deze kant geredeneerd is bindingsangst dus verre van een kwaal die ‘weggekuurd’ moet worden. Vanaf deze kant bekeken zijn het juist de mensen die zich maar wat graag binden die aan een kwaal lijden, die gedreven door angst voor verleis van bezit en eventueel nageslacht zekerheden willen stellen. En dat moet uiteraard ook aan anderen opgedrongen worden, want ongebonden personen leveren een gevaar op. ("Wilt u zich even snel binden zodat ik in alle rust van mijn zekerheden kan genieten?") Hebben we een partner te pakken die dat soort zekerheden niet nodig heeft in het leven, dan maken we haar toch ‘ziek’ ? Bindingsangst heeft ze! Of ze zich even tot de psychiater wil wenden.
Het was een prachtige lentedag. Zo’n dag dat alleen de vogeltjes het wagen zich in het volle zonlicht te begeven en zachtjes kwetteren van plezier. De rest van de wereld heeft zich teruggetrokken in de schaduw. Zo ook het meisje.
Verstopt onder twee parasols zat het meisje in haar tuintje. Niemand kon haar zien, dus dacht het meisje dat het geen kwaad kon haar broekje uit te trekken. Het meisje zat daar volkomen in haar sas druk aan haar huiswerk. De ventilator naast haar blies zachtjes tegen haar blote billen. ‘Dit moet op dit moment echt het beste plekje op aarde zijn,’ dacht het meisje.
Wat ze niet had gezien was dat er meerdere gegadigden waren voor dit perfecte plekje. Een klein beetje voorovergebogen probeerde het meisje haar computerscherm te lezen, terwijl de wesp zijn kans schoon zag het plekje van het meisje te veroveren. Toen het meisje haar kontje weer in de zetel duwde, maakte ze kennis met de wesp, die ze niet had zien aankomen, maar wel voelde vertrekken.
Met een grote bult op haar bil moest het meisje naar de dokter, die haar fronsend aankeek en haar ook nog eens liet uitleggen hoe dat nou toch had kunnen gebeuren. Met de troostende woorden dat ze nog geluk had gehad, stuurde de dokter het meisje weer naar huis, waar ze nu niet meer op haar billetjes durft te zitten.
Nu het einde van het semester nadert en ik als student nog een paar grote projecten af te handelen heb, slaat de stress ineens toe en merk ik dat ik bijna niets anders doe dan nadenken. Ik denk de hele dag na. Over terrorisme met name, en over hoe ik in godsnaam moet verwoorden welke gedachten zich in mijn hoofd afspelen. Ik denk er zoveel over na, dat ik soms vergeet waar ik over aan het nadenken was. Iets concreets kan ik er niet uit pakken. De gedachten vallen als het ware over elkaar heen in mijn hoofd. Ze willen eruit, maar ik weet niet hoe ik ze op een aantrekkelijk leesbaar rijtje krijg.
En zo kan het gebeuren dat je merkt dat je af en toe eens verstrooid bent. Dat het mooi weer is buiten en dat je dat niet eens hebt gemerkt. Dat je honger hebt omdat je al de hele dag niets hebt gegeten, maar dat je je afvraagt waar dat zeurderige gevoel in je maag vandaan komt. Of dat je kip in de oven hebt gedaan en die de volgende avond pas terugvindt, op het moment dat je opnieuw kip in de oven wil gaan klaarmaken. Zo kan het ook gebeuren dat je op een bepaalde ochtend wakker schrikt van je wekker die je, omdat je je eigen verstrooidheid wel hebt opgemerkt, een week van tevoren al hebt gezet voor een bepaalde gebeurtenis en je je niet meer kan herinneren waarom je die wekker hebt gezet. Gelukkig was je zo slim om het in je agenda te zetten, anders was je er waarschijnlijk nooit achter gekomen.
En zo kan het zijn dat je je auto voor een herkeuring voor de APK gaat aanbieden, terwijl je eigenlijk eerst een afspraak had voor de reparatie bij een andere garage. Het komt allemaal goed, het kost wat benzine en wat tijd, meer ook niet. De hele wandeling naar huis, bijna twintig minuten spreek je jezelf hartig toe; dit moet echt stoppen, zometeen gebeuren er nog ongelukken. Eenmaal thuis verdiep je je dan weer in de problematiek rond terrorisme. En zo kan het gebeuren dat ’s middags je telefoon gaat, en jij geen zin hebt de telefoon aan te nemen omdat de nummerweergave een onbekend nummer aan geeft. De beller houdt aan en je neemt geïrriteerd op. Hoe durven ze je te storen in je denkproces? Het is de garage. De auto kan worden opgehaald. Dat was je even vergeten, van die auto.
Je draait drie rondjes om je eigen as, laat snel de hond uit, want die was je ook vergeten, en gaat snel op weg om je auto op te halen, hij moet immers nog naar de herkeuring. Op de parkeerplaats aangekomen is je auto weg. Je raakt over je toeren, je moet namelijk snel naar de andere garage voor de herkeuring. Andere parkeerplaats checken, geen auto. Dan bedenk je je dat je natuurlijk je autosleutels nodig hebt, alsof die auto daardoor ineens weer terecht komt. Je gaat terug naar binnen om je sleutels te halen. En die zijn er ook niet. Eerst denk je; ik heb een déjà-vu, maar dan realiseer je je dat ditzelfde tafereel zich twee weken geleden ook al heeft afgespeeld. Lopend ga je op weg naar de ene garage om je auto op te halen, en tijdens de 20 minuten lange wandeling vraag je je ongeveer 50 keer af waarom je in godsnaam bent gaan lopen. Als je bij de garage aankomt, herinner je je weer waarom. En dan begrijp je ook wat er met de term ‘verstrooide professor’ bedoeld wordt.
U zei: