
De sensatie van een scherpe pijnscheut in haar dijen veroorzaakte een schelle lichtflits voor haar ogen. Ze had verlangd naar het licht. Ze wist niet hoeveel dagen al. Dat was moeilijk te bepalen in het donker. Voorzichtig probeerde ze haar ene bil een klein stukje te verschuiven. Dat lag beter. Haar dijen deden geen pijn meer. Maar nu was het haar schouder die het gewicht moest dragen. De schouder, waar ze al veel te lang op gelegen had. En toen ze zich had verschoven kwam die geur weer vrij. De geur van verse en opgedroogde urine, van menstruatiebloed en diarree. Ze vroeg zich af of dit de geur van angst was, of de geur van de dood. Haar neus kriebelde tegen de satijnen voering van haar onderkomen. Maar er was niet genoeg ruimte om haar neus te bevrijden. Niet van de smerige lucht en niet van het kriebelende satijn. Ze hoopte dat ze kon niezen. Dan kon ze haar eigen snot proberen op te likken. Want slikken kon ze, vermoedelijk, al een paar dagen niet meer. Het zilte zout van haar tranen maakte haar misselijk, dus probeerde ze die te bedwingen. Maar het was onvermijdelijk. De tranen bleven komen, hoe uitgedroogd ze ook was. Ze dacht aan haar opa. En aan het konijntje dat ze vroeger in een veel te klein doosje begraven had. De schuldgevoelens waren een verademing. Maar die verademing duurde veel te kort. De doordringende geur van aarde bracht haar terug naar het heden, waar het zachte velletje van het konijntje haar geen troost kon bieden, zoals het vroeger had gedaan.
Het was een eigenaardige man geweest, bedacht ze zich. Maar hij lhad ongevaarlijk geleken. Een sul, met een idioot brilletje, vreemde schoenen met spekzolen en een broek die al dertig jaar niet meer in de mode was. Ze had mensenkennis, altijd al gehad. Ze kon mensen goed taxeren, en ze had deze man ingeschat als een sombere, maar betrouwbare pennenlikker. Ze had hem meteen vertrouwd. Maar ze had het raar gevonden dat hij zo behulpzaam was geweest. Ze had weliswaar een ongemakkelijk gevoel bij hem gekregen, maar ze had dat weggestopt onder ‘schuldgevoel’. Niets wat een flesje wijn en een paar aardige woorden niet konden oplossen. Maar het bleef niet bij die twee ontmoetingen. Ze waren met elkaar aan de praat geraakt en ze was door hem geïntrigeerd geraakt. Hij was niet het type waar ze normaal gesproken interesse in had. Zijn wereld was te ver van het hare verwijderd. Een kneus zou ze hem hebben gevonden. Maar hij was boeiend, op een bepaalde verslavende manier. Hun onderlinge gesprekken gingen ver. Veel te ver soms.
Er waren momenten geweest dat ze zich schaamde voor haar eigen openhartigheid, maar hij had haar altijd weer op haar gemak weten te stellen. Ze had zich vrij gevoeld bij hem, bevrijd van haar angsten en hij had altijd precies geweten hoe hij haar kon dwingen haar eigen grenzen te verleggen. De sfeer die tussen hen heerste was intiem, vertrouwd maar ook altijd grimmig geweest. Ze had altijd het gevoel gehad dat ze bij hem door het donker werd opgezogen. Een zuigende kracht die ergens onaangenaam voelde, maar haar ook opwond. Een zwarte draaikolk waar ze niet uitkwam, waar ze het benauwd van kreeg, maar waar ze ook nat van tussen haar benen werd. Als hij haar aanraakte had ze altijd diep van binnen walging voor hem gevoeld, maar haar lichaam had altijd ongekend heftig op hem gereageerd. Altijd als hij met zijn vinger over haar hand had gestreeld, had ze telkens bijna het bewustzijn verloren. En hij had altijd precies geweten wat voor uitwerking hij op haar had. Op dat soort momenten keek hij haar altijd doordringend aan. En altijd had ze ademnood gekregen van die doordringende blik, het gevoel in een ontzagwekkende diepte te vallen en altijd die vertwijfeling of ze niet de hel zag in zijn ogen. Ze had in hem altijd iets duivels gezien, maar op de momenten dat ze zich daar bijna door af had laten schrikken, waren zijn gezicht en ogen zacht en troostend geweest.
Doffe bonkende geluiden haalden haar uit haar overpeinzing. Vanuit de verte kwamen er voetstappen steeds dichterbij. Ze hield haar adem in, totdat ze het idee had dat de voetstappen zich vlak boven haar bevonden. De knevel om haar mond liet haar net genoeg ruimte om langs haar mondhoeken te likken, maar haar geschreeuw en hulpkreetjes verstomden erdoor, voordat ze haar mond hadden kunnen verlaten. Met haar handen op haar rug gebonden kon ze weinig doen om de aandacht te trekken. Allebei haar ellebogen zaten klem in de kleine ruimte. Alleen haar linkervoet kon ze wat bewegen, maar haar dijen maakten het haar onmogelijk daar mee te schoppen. Met een felle ruk probeerde ze haar rechtervoet wat ruimte te geven. Hij schoot los, en ze kwam met haar teen hard tegen de deksel van de kist terecht. Haar hoofd begon te tollen van de pijn in haar lichaam, maar ze gaf het niet op. Ze moest nu handelen, voordat de voetstappen te ver verwijderd zouden zijn en zij daar onopgemerkt onder de grond bleef. Met alle kracht die ze in zich had probeerde ze te schoppen. Maar de satijnen voering van de kist dempte het geluid. Woede en frustratie maakten zich van haar meester. De wanhoop om nu gered te worden was sterker, waardoor ze haar lichaam vergat en zij met alle macht kon proberen genoeg herrie te maken om opgemerkt te worden. Het hielp niet. De voetstappen verstomden langzaam in de verte, terwijl zij langzaam steeds verder wegzakte en het bewustzijn verloor.
Dit korte fragment schreef ik voor 100 Schrijvers, maar t*** die ik ben had ik de bedoeling niet goed begrepen en is het stuk niet geschikt. Omdat ik het natuurlijk niet voor de kat z’n … viool heb geschreven, plaats ik het hier)
U zei: