Jul
24
2010
Babybox
Met gepaste trots stel ik aan u voor: de Sierra Leonese variant op de babybox. Omdat zo’n ding hier niet verkrijgbaar is, hebben we er één laten maken door een timmerman. Het was hilarisch. Afmetingen hebben we keurig netjes doorgegeven, maar uiteindelijk bleek dat de timmerman geen maten begrijpt. En dat de timmerman zei dat hij begreep waar het ding voor was, bleek ook een klinkklare leugen. Ondanks de getoonde foto van de Hollandse variant. We kregen een piepklein houten hokje, waar de baby net in kon staan. “Het was toch zodat de baby rechtop moest kunnen staan?” “Inderdaad ja, maar ze moet ook wel wat kunnen doen, een beetje zitten ofzo, als ze moe is.” De tweede variant was daarom net iets groter, ondanks het touwtje dat we meegaven om de maat te meten. Ze kon inderdaad net gaan zitten, maar dan hield het ook wel op. Drie maal is scheepsrecht, toen ze het eindelijk begrepen, moesten ze zelf ook wel lachen om hun stupiditeit. Oh, het ding was om in te spelen! Briljant idee! Vonden de voorbijgangers van zijn workshop ook, die massaal ook zo’n ding willen hebben. Veertig euro hebben we ervoor betaald. Inclusief schuimrubber en exclusief lapje stof. Gaat toch best als je je bedenkt dat ik voor 1 luier 1 euro betaal…
Jul
23
2010
De schoonmaakster
We hebben een nieuwe schoonmaakster. Tegen wil en dank overigens, want ze zit bij de huishuur inbegrepen. Helaas, want dat maakt de situatie behoorlijk lastig. Ik betaal haar niet namelijk, en daarom ben ik ook niet degene die haar kan vertellen wat ze wel en niet moet doen. En wel en niet moet laten, blijkbaar.
Met de vorige schoonmaker ging het nog wel. Hij was zo gek als een deur (letterlijk, hij was gewoon niet helemaal in orde in zijn bovenkamer, genetisch niet) maar hij maakte het huis schoner dan schoon, deed gewoon netjes wat ik vroeg en speelde altijd leuk een uurtje met mijn dochter. En hij liet me altijd lachen om de rare dingen die hij deed en zijn nogal aparte taalgebruik: “Vagina, Vagina (vertaald: Virginia, Virginia), me…airplane…you…pilot…we go drive, ya?”
Maar goed, de oude schoonmaker is spoorloos verdwenen sinds zijn golfplaten huisje door de overheid met de grond gelijk werd gemaakt omdat het gebouwd was op de ‘right of way’ (land dat bestemd was voor de openbare weg die er vermoedelijk over zo’n 50 jaar wel zal komen), en nu hebben we dus een nieuwe. Een mevrouw die met haar pruik op komt schoonmaken. Haar onderlip raakt van ontvredenheid vaker de grond dan de dweil. Toen ze kwam zei ik tegen de concierge (die een verhaal op zich is, dus later meer): ik veeg en dweil binnen zelf wel, was mijn eigen kleren, het enige wat ik heel, heel, heel, heel, heel, heel, heel belangrijk vind, is dat ze de veranda’s goed schoonmaakt. Ik brak mijn mond over een ellenlange uitleg dat mijn dochter kruipt op de veranda en dat etensresten, roze fijnstof, moddervoeten en bijtmieren niet bevorderlijk zijn voor haar gezondheid. De concierge begreep het helemaal. Zei ze.
“Hoe laat zal de schoonmaakster komen ’s morgens?” “Negen uur,” antwoordde ik. “Beslist niet vroeger, want mijn dochter slaapt tot acht uur, dan gaan we ons allemaal wassen, slaapt mijn dochter weer net voor negenen, en kunnen wij beginnen met werken. Dan dus.” “Negen uur?” “Ja, negen uur. Echt niet vroeger hoor. We hebben immers geen gordijnen enwe hebben geen zin om steeds verstoppertje te spelen in de badkamer om ons aan te kleden. Ze komt immers zes dagen per week. Dat zou nogal een inbreuk op onze privacy zijn, he?” Heftig knikkende concierge. Een paar schuine grappen dat ouders met een jonge baby ook maar moeten uitvogelen hoe ze aan hun trekken komen dat de ochtend daarvoor toch wel erg geschikt is. Haha, ja.
De schoonmaakster kwam dus de volgende morgen. Om tien over acht. “Knock, Knock,” riep ze om de keiharde bonken op de deur wat te versterken. “Negen uur hadden we toch afgesproken?” riepen we vanuit de slaapkamer. Een heel verhaal volgde. Toen de zin toch al ‘verslapt’ was, hebben we haar daarom maar binnen gelaten. Met de waarschuwing dat ze ons voortaan toch echt niet meer voor negen uur ’s morgens moest storen. Ze begreep het. Zei ze. Ze gaf ons daarom de volgende ochtend wat langer respijt. Tot half negen. Zelfde ritueel. En zo ging het de hele week door. Tot eergisteren en we besloten gewoon demonstratief de deur niet meer open te doen. Om haar te pesten hebben we haar maar tot tien uur laten wachten. Ze hangt toch de hele dag rond het huis om samen met de concierge en de schoonmakers van de huurders beneden de hele dag kei- en keihard te roddelen over werkelijk alle buurtbewoners en de rest van Sierra Leone. Toen ik haar uiteindelijk binnenliet, vroeg ik haar als eerste waarom ze nou in hemelsnaam twee uur in de keuken staat om twee pannen, drie borden, en twee glazen af te wassen en er maar niet aan toekomt om de veranda een keertje schoon te maken. Oh, ze wist niet dat dat iedere dag moest. Ja, mijn fout. Misschien had ik het zes keer moeten zeggen. Wat ik ook gedaan heb, maar op zes verschillende dagen. En ze al die dagen ‘glad vergat’ dat de veranda ook schoon moest. Drie minuten nadat ik het haar gevraagd had.
“Ik leg het nog een keer uit,” zei ik dapper. “We hebben een vaste routine: de baby slaapt tot acht uur, half negen. Dan doen we papa en mama dingen samen, gaat zodra ze wakker is de baby in bad, ze eet en gaat daarna weer slapen tot een uur of twaalf. Hartstikke handig, want zo kunnen we uitgebreid douchen, aankleden, en eten maken. Als jij dan om negen uur de veranda schoonmaakt, die aan de voorkant van het huis, dan kunnen we daar, zeg, om half tien eten. De zon staat ’s ochtends namelijk op de achterveranda en dan is het te heet om daar te eten, he. Om pak ‘m beet tien uur gaan we aan het werk. Als jij dan de keuken schoonmaakt, ook het gasfornuis ja, in het bijzonder het gasfornuis zelfs, dan hebben we geen last van elkaar. Als je daarna de grote badkamer en de wc doet, en de woonkamer afstoft, zijn we helemaal klaar met elkaar. Zou om pak ‘m beet half elf-elf uur wel gedaan moeten zijn. Op zijn laatst, want het is niet vies als je het iedere dag doet, he. De vloeren in het hele huis doe ik zelf. Als er geen leidingwater is, kan je na het schoonmaken alle tanks vullen met water, dan hebben we reserve, is geen doen he, met een baby in huis zonder water. Dan op zaterdag wat grotere schoonmaak: de andere badkamer schoon, badmatjes wassen, lakens verschonen en de handdoeken wassen.”
Dat was niet goed. De emoties liepen hoog op. Ik kreeg een hele tirade over me heen dat ze kan lezen en schrijven en dat ze heus wel ander werk kan doen dan schoonmaken, maar dat ze dit alleen maar doet omdat ze even niets anders heeft en op zoek is naar een betere baan. Wanneer ze dat doet, terwijl ze iedere dag tot mijn grote irritatie luidschreeuwend en kwakelend zit te roddelen met de andere schoonmakers, doet er even niet toe. Het gaat erom dat ze veel te goed is voor schoonmaken, en ZIJ dus bepaalt hoe een en ander gedaan moet worden. Als zij dus vindt dat het onzin is dat de veranda schoongemaakt wordt, dan is het onzin. Punt uit. Ze heeft namelijk zelf ook een huis en daar is het ook altijd schoon en ze weet heus wel wat hygiene is. Die kolonne bijtmieren gaat vanzelf weer weg als alle etensresten opgegeten zijn namelijk, meestal tegen ’s avonds zo’n uur of zeven, als mijn dochter haar bed in gaat en tot acht uur de volgende ochtend doorslaapt. Daar hebben we wat aan inderdaad.
Dat ik zelf dan maar de veranda schoon ga maken, omdat ik toch wil dat mijn dochter in vrijheid kan spelen, is ook volgens de concierge niet goed. Ik moet de schoonmaakster namelijk wel de kans geven om schoon te maken. Waar we vervolgens weer een emotionele discussie over krijgen, waardoor al mijn rustige overdagwerktijd wordt opgeslokt en mijn dochters slaap ruw verstoord wordt, waardoor ik soms vanaf een uur of tien met een onhandelbare baby zit, die de slaap niet meer kan vatten, maar wel te moe voor woorden is. “Slaapt ze niet vandaag?” vraagt de concierge dan ook nog treiterend.
Gisteren echt “de aller- aller- allerlaatste discussie wat mij betreft,” zei ik. “Al is het het enige wat ze doet, ik wil de veranda’s schoon hebben! Wie woont hier nou eigenlijk. En nog eens wat, ik wil geen geschreeuw meer in mijn huis. Ik kan me niet concentreren als een van jullie in de keuken naar de ander bij de poort zo’n vijftien meter verderop staat te schreeuwen wat je de vorige avond hebt gedaan. De veranda EERST en niet de keuken, ik wil namelijk eten kunnen koken ’s morgens en dat gaat niet als de schoonmaakster de hele keuken barricadeert. Laat trouwens die keuken maar zitten, want het irriteert me dat ze daar uren staat voor een klusje wat ik zelf in drie minuten kan.”
Vanmorgen om een uur of tien. De schoonmaakster begint met werken. Ze duikt zonder wat te zeggen de keuken in. De afwas had ik al gedaan, omdat ik haar voor wilde zijn. Er stonden alleen twee pannen met de restjes van gisteren. Genoeg eten voor twee personen, die ik net wilde gaan opwarmen. Beng, in de vuilnisbak ermee. En vervolgens stond ze een half uur lang die pannen schoon te schrobben. Mijn schone binnenvloeren dweilt ze vervolgens met het water waar ze het gasfornuis mee heeft schoongemaakt waar zwart roet en etensresten in drijven, nog een keertje over. De veranda is nog steeds niet gedaan, en ik voer inmiddels een aardig gevecht met de bijtmieren die mijn tenen ook als etenswaren beschouwen.
De concierge vindt het zielig voor de schoonmaakster als we haar maar de hele tijd blijven vertellen dat ze het niet goed doet. En de concierge is degene die de schoonmaakster aan het werk zou moeten zetten, tot onze tevredenheid. Maar de concierge is nog erger dan de schoonmaakster. Zij komt hele dagen om te schreeuwen, te roddelen en te slapen en dingen die eigenlijk voor ons huishouden zouden moeten zijn (toiletpapier, vuilniszakken en dergelijke meer) achterover te drukken. Wat ze hier te zoeken hebben, weet ik niet, maar de hele dag lopen ze samen in en uit, mogen ze nergens op aangesproken worden, doen ze er een week over om de generator aan de praat te krijgen en is er niets, maar dan ook niets schoon. Ook mijn binnenvloeren niet, want die worden nog een keer overgedweild met smerig water. Ik kan er dus niet meer tegen. Officieel. Tijd om de huiseigenaar aan te spreken, lijkt mij. Kijken of we daar verder mee komen.
UPDATE (ja nu al): de huiseigenaar kwam langs. Het wordt geregeld, ze had het vermoeden al dat de concierge haar werk niet goed deed. Maar het verhaal is te leuk om het niet te posten. Vandaar.
Jul
22
2010
Zij
“Dit kindje is oersterk,” zei ik, toen ze net zes weken in mijn buik groeide. “Ze heeft een oersterk eigen willetje,” zei ik, toen ze vier maanden in mijn buik groeide. “Ze houdt van dansen,” zei ik, toen ze vijf maanden in mijn buik groeide en ik gedag zei tegen het nachtleven en zij in mijn buik wilder met haar billen schudde dan ikzelf. “Ze heeft wel erg veel ruimte nodig met die beentjes,” zei ik, toen ze zes maanden in mijn buik groeide en een enorm huis voor zichzelf creëerde waar haar voeten toch altijd uit moesten steken. “Ze heeft veel gevoel voor humor,” zei ik toen ze zeven maanden onderweg was en hard met me meelachte bij de opgeslagen You Tube clipjes van Nayib Amhali die ik iedere avond, in de snikhete van ons appartement in Freetown, keek voor het slapen gaan. “Ik zie wel hoe ik haar op zal voeden,” zei ik toen ze acht maanden in mijn buik groeide en men mij vroeg hoe ik het wilde doen, straks, als ze geboren was. Omdat ik instinctief wist, dat zij haar eigen ritme zou bepalen. “Ik neem me niets voor, alleen dat ik er hoe dan ook voor wil zorgen dat ze gelukkig is,” zei ik toen ze negen maanden in mijn buik zat en de volgende dag geboren zou worden. En dat was een goede beslissing.
Ze was een vreemde voor me toen ze geboren werd. Met verwondering keek ik naar haar gezichtje, haar kleine spleetoogjes die al half open stonden en alles in zich opzogen, haar kleine voetjes die, in stuit omhoog, de ruimte zochten. Ik had me allerlei voorstellingen van haar gemaakt, maar had nooit kunnen raden hoe ze er echt uit zou zien. En ze was compleet anders dan in mijn voorstellingen. Toch was ze ook zo bekend. Al wist ik niet hoe ze eruit zou zien, hoe haar stemmetje zou klinken en hoe ontzettend lekker ze zou ruiken, haar inborst en haar karakter waren allerminst vreemd voor me geweest. Ze is zoals ik het ooit voorvoelde, toen ze in mijn buik groeide, en langzaamaan steeds meer eigenheid kreeg. Ze is oersterk, ook in haar willetje. Ze is een drammer, een gretig danser, ze maakt graag gebbetjes, lacht altijd, zelfs als ze moe is, en heeft een volkomen eigen ritme. Ze is alert op haar omgeving, speelt liever met mensen dan met dingen, is niet geïnteresseerd in blokjes, maar in reacties op haar gedrag en weet precies hoe ze iedereen om haar vinger moet winden.
Maar tegelijkertijd is ze leuker dan ik me ooit had kunnen bedenken. Zelfs als ze dramt is ze schattig. Te schattig, waardoor ik alleen maar om haar rottigheidjes kan lachen, wat een afschuwelijke puberteit voorspelt. Ik heb nooit op een roze wolk gezeten, noch op een zwarte. Ik nam haar, zoals ze kwam. Eerst als een klein diertje die mijn tepels aanviel en als een volledig afhankelijk hoopje het liefst in mijn armen in slaap viel. Soms vervulde ze me met liefde en warme gevoelens, soms ook voelde ik me leeg omdat ik mezelf niet meer was. Ik accepteerde die ambivalentie en accepteerde in stilte dat het waarschijnlijk ook niet anders kon. Niets is immers alleen maar mooi en goed. Zeker een kind krijgen niet, want met de geboorte van het ene, volgt er ook een afscheid van het andere. En dat gaat niet van de ene op de andere dag. Of misschien ben ik de enige moeder die in haar nieuwe rol moest groeien, maar bij mij ging het zo.
Wat zou ik willen dat dat proces bij mij begonnen was tijdens de zwangerschap, maar dat gebeurde dus niet. Alles was hetzelfde, ik was hetzelfde, behalve mijn mobiliteit en mijn lichaam, dat helemaal overgenomen was door de baby. Ergens was het onwerkelijk. Dat ze echt zou komen. Hoewel ik haar zo vaak op de echo had gezien. Toen ze al bijna aanstalten maakte om te komen, had ik me dan ook weinig zorgen gemaakt over kinderkamer, badje, kleertjes en dat soort gedoe. Mijn kinderloze vrienden bewonderden me erom. Dat ik er zo relaxt mee omging. Lof die ik niet verdiende, want het zei me gewoon nog niets, anders had ik me echt veel drukker gemaakt, neemt dat maar van me aan.
Toen ze er eenmaal was, werd mijn moederinstinct langzaam wakker. Eerst moest ik aan haar wennen, maar uiteindelijk kwam de liefde, het geduld en de vertedering. En ik groei nog steeds, iedere dag een beetje meer. En dat zet me dus aan het denken. Over het jaren 1990 gedachtengoed dat een mens niet zou kunnen veranderen. God, wat heb ik die zin vaak gehoord in mijn leven. Zeker als het om mannen gaat. En dat je iemand niet zou ‘moeten willen’ veranderen, omdat het punt 1 niet zou werken en punt 2 helemaal fout is omdat iemand dan zijn eigenheid zou verliezen. Ik weet niet of het bij Oprah Winfrey vandaan kwam, dat idee, hoewel dat meestal wel het geval als het om kulpsychologie gaat, in ieder geval ben ik erachter dat het tegenovergestelde waar is. Ik verander namelijk met de dag nu ik moeder ben, en datzelfde geldt voor de vader van mijn dochter. We groeien in het ouderschap, het huwelijk en in onze nieuwe levens. En ineens komen er bij ons allebei heel veel nieuwe eigenschappen bij, en zijn sommige oude trekjes langzaam aan het verdwijnen.
Zo heb ik nooit kunnen vermoeden dat ik zo zorgzaam en onzelfzuchtig zou kunnen zijn. Toen ik nog overtuigd kinderhaatster was en mezelf heilig had voorgenomen om nooit, maar dan ook nooit aan kinderen te beginnen, was ik er namelijk van overtuigd dat ik er veel te egoïstisch voor was. En dat was ik ook. Ik hoor het mezelf nog zeggen: ïk weet zeker dat ik dat kind zou gaan haten, als ik de derde zaterdag op rij thuis zit tussen de poepluiers.” Maar niets blijkt minder waar. Tot nu toe heb ik alle aanbiedingen voor logeerpartijtjes van mijn dochter op zaterdagavond afgeslagen, omdat ik haar te jong vond om zonder mama wakker te worden. En dat was geheel naar mijn zin. Geen seconde rancune. Ik weet dat het niet voor eeuwig is. Als zij losser van mij begint te raken, doe ik dat andersom ook een klein beetje. En zo zijn er veel meer dingen die ik vroeger niet voor mogelijk had gehouden, maar nu met een grote glimlach doe. Een mens verandert dus wel, waardoor ik intussen spijt heb van de dooddoener die ik jarenlang gebruikte om maar niet te hoeven veranderen: “Zo ben ik nou eenmaal.”
Iemand die standvastig hetzelfde blijft, zij het in goede of slechte zin, reageert niet op impulsen uit zijn omgeving, of op het leven zelf. En dat is eigenlijk best raar. Van onze ervaringen zouden we moeten leren, en uit contact met anderen zouden we moeten kunnen groeien. Als ik vast zou houden aan mijn idee dat ik “nou eenmaal zo ben”, zou ik een hele wereld aan me voorbij laten gaan. Dat is wat ik van haar geleerd heb. Want zij heeft nog steeds die dingen, waar ik in mijn buik al van dacht dat ze zou hebben. Maar ze leert ook iedere minuut iets nieuws bij. Door op haar omgeving te letten, dingen na te apen, en met verschillende mogelijkheden te experimenteren. Soms op haar hele eigenwijze wijze, maar soms ook door goed op te letten hoe anderen dingen doen. Hoe meer zij ontwikkelt, hoe meer ik in mijn moederrol groei. Ik zie de wereld met andere ogen. Soms, maar niet altijd, door die van haar. Wat me een ander mens maakt. En dat brengt me tot een andere wijsheid. Dat niets zo veranderlijk is als de mens. En zo is het maar net.

